Kyoto beleidsmaatregelen

Mogelijke maatregelen om de Kyoto doelen te bereiken

Toen de Kyoto doelen werden afgesproken werden een aantal beleidsmaatregelen geïntroduceerd als mogelijkheden om broeikasgas emissies te verminderen. Deze maatregelen, zoals ze zijn beschreven in de samenvatting van de IPCC-SRES scenario's, worden hier kort besproken.

Vrijwillige overeenkomsten

Overheidsinstanties kunnen afspraken maken met een of meer private actoren. Meestal zijn die afspraken niet bindend. Afspraken kunnen worden gemaakt tussen de regering en een aantal bedrijven, maar ook tussen de regering en branchorganisaties. De afspraken omvatten vaak algemene zaken, zoals rapportage van energie efficiciency, maar kunnen ook specifieker zijn, bijvoorbeeld afspraken over emissienormen.

Vrijwillige overeenkomsten vormen een redelijk nieuw beleidsinstrument, maar winnen snel terrein. Het aantal vrijwillge afspraken dat al is gemaakt toont aan dat het een administratief en politiek verantwoord beleidsinstrument is. De meeste industrieën lijken vrijwillige overeenkomsten liever te gebruiken dan andere beleidsinstrumenten. Milieuorganisaties stimuleren de ontwikkeling.

De kosten-effectiviteit van vrijwillge overeenkomsten is onduidelijk. Studies van de EEA (Europese Milieu Organisatie) resulteerden in de erkenning van vrijwillige overeenkomsten als beleidsinstrument. Vijf van de zes studies tonen aan dat gebruikers van vrijwillige overeenkomsten lagere kosten genieten dan bij gebruik van andere beleidsinstrumenten.

De OECD heeft een aantal voorwaarden gesteld voor het implementeren van vrijwillige overeenkomsten, om de effectiviteit te garanderen. Hieronder vallen onder andere duidelijke normering, een basis voor verbetering, adequate monitoring en rapportage, beschikbaarheid van technische oplossingen, zo laag mogelijke, gelijk verdeelde kosten en de inzet van derden bij ontwerp en toepassing. Ook de Europese Unie stelt deze eisen.



Sommige overheden twijfelen nog aan het nut van vrijwillige overeenkomsten als beleidsinstrument, en vragen zich af of het wel een efficiënte vervanger is van vaste normen. Ze beweren dat industrieën alleen meedoen aan de overeenkomsten omdat ze dan de implementatie van energie belanstingen en andere financiële instrumenten kunnen voorkomen. In hoeverre een industrie zich houdt aan vrijwillige afspraken is sterk afhankelijk van de gevolgen van het breken van een afspraak.

Vrijwillige overeenkomsten worden in Amerika toegepast om energie efficiency te vergroten. Daarmee wordt het meteen een instrument voor het behalen van de Kyoto doelen. Vrijwillige overeenkomsten voor broeikasgas reductie worden op grote schaal afgesloten in onder meer Japan en Nederland.

Belastingen

De overheid kan belastingen heffen op broeikasgas emissies. Dat houdt in dat de vervuiler een bepaalde boete betaald voor iedere ton CO2-equivalenten die hij uitstoot. Het doel van de belastingen is om briekasgas reducties te bevorderen door een prijskaartje aan emissies te hangen. Wanneer maatregelen minder duur zijn dan de belastingen zal een bedrijf de emissies gaan reduceren. Dit levert een economisch voordeel op, want door de belastingen gaan de kosten van emissie reductie omlaag omdat emissies weer kunnen toenemen wanneer kosten ineens onverwacht stijgen.

In werkelijkheid worden door middel van emissiebelastingen niet altijd emissie reducties bereikt, omdat niet alle bedrijven reductiemaatregelen gaan nemen. Dat komt vooral omdat op markten geen sprake van absolute concurrentie is. Emissie belastingen zijn gevoelig voor verdelingseffecten, dat wil zeggen dat niet alle bedrijven hetzelfde effect ondervinden. Belastingen moeten daarom altijd vergeleken worden met alternatieve beleidsmaatregelen, voordat deze worden toegepast.

Nadat het Kyoto protocol in werking was getreden werd emissiehandel het belangrijkste instrument, en werden belastingen niet meer gebruikt. Emissiehandel kan waarschijnlijk een bepaald emissieniveau beter garanderen dan belastingen. Belastingen ondervinden vooral moeilijkheden van de internationale aard van de Kyoto afspraken. Als de kosten van emissie reductie in bepaalde landen te hoog worden, zal belasting geen maatregelen tot reductie opleveren in die landen. Dan zouden de Kyoto doelen niet worden gehaald.

Subsidies

Subsidies voor broeikasgas emissies worden uitgegeven per ton koolstofdioxide equivalent reductie. Maatregelen die minder kosten dan de ontvangen subsidie worden dan aantrekkelijk voor bedrijven. Op korte termijn zijn de gevolgen van subsidieverstrekking meestal dezelfde als die van belastingheffing. Belastingen worden vaak gezien als een effectievere maatregel, omdat door subsidies het aantal bedrijven in een branch weleens zou kunnen toenemen, en daarmee neemt ook de uitstoot toe (denk aan de Nederlandse landbouw). Subsidies kunnen tot gevolg hebben dat bedrijven die tot sluiting zouden moeten overgaan in geval van milieubelasting langer kunnen blijven bestaan. Subsidies geven geen garantie van een bepaald emissieniveau. Het is te adviseren de subsidie aan te passen aan een internationale afspraak voor emissiereductie.

Emissierechten

Zie onze pagina over effectiviteit van emissierechten handel.

Educatieve programma's

Educatieve programma's zijn onderdeel van een aantal informatieve instrumenten die door de overheid kunnen worden gebruikt om het besef van de milieuproblematiek te vergroten. Informatie over broeikasgas emissie reductie wordt op een aantal verschillende manieren verspreid en versterkt. Voorbeelden van instanties die dat doen zijn overheidsinstanties, handelaren in apparatuur, energie centra, professionele organisaties en educatie commitees. Voorbeelden van educatieve activiteiten zijn workshops, massa-media campagnes, trainging programma's, audits, publicaties en milieu-etikettering.

Veel energie effeciciency programma's gebruiken educatie als tool. Dit doet men door brochures te verspreiden, TV programma's uit te zenden en databases op te stellen. Grote publieke campagnes zoals 'Energy Conservation Day' in Japan zijn in het verleden erg succesvol gebleken. Enkele schrijvers hebben boeken gepubliceerd over energie efficiency, richtlijnen en beleid. Ze proberen mensen bewust te maken van hun rol in (preventie van) klimaatverandering. De kosten van educatieprogramma's zijn vooral afhankelijk van de grootte van het te bereiken publiek, en het media instrument dat wordt gebruikt.

Etikettering

Milieu- en energie etikettering is een voorbeeld van een informatief instrument dat steeds meer gebruikt wordt om het milieubewustzijn van mensen te vergroten. Er zijn zowel verplichte als vrijwillige etiketten in omloop. Etiketten beïnvloeden het consumentengedrag en bevorderen de acceptatie van schone technologieën.

Vrijwillige etiketten zijn onofficiële instrumenten en kunnen daarom worden toegepast zonder door het langdurige beleidsproces te gaan. Ze hebben het voordeel dat ze de informatie overdracht tussen actoren bevorderen.

Milieu-etikettering heeft enkele nadelen. Consumenten kunnen bijvoorbeeld in sommige gevallen de boodschap op de etiketten verkeerd interpreteren, vooral als acronymen worden gebruikt. Als op een product meerdere verschillende etiketten worden gebruikt kan dat het vertrouwen van de consument in het product ondermijnen.

Het uiteindelijke succes van milieu-etikettering is sterk afhankelijk van de extensiteit van het gebruik. Als het teveel gebruikt wordt kan de markt en de effectiviteit verminderen, maar als het te weinig wordt toegepast komt de boodschap misschien niet over.

Research & development beleid

Private bedrijven kunnen bijdragen aan broeikasgas reductie door research & devlopment (R&D) activiteiten. Dit wordt meestal door de private sector zelf gefinancierd. Overheidssubsidies gingen vroeger meestal naar kernenergie en steenkooltechnologie. Momenteel wint het onderzoek naar hernieuwbare energie en schone technologie snel terrein. Maar die activiteiten krijgen nog steeds maar een klein deel van het voor R&D beschikbare overheidsbudget. Uit oogpunt van Kyoto is het wellicht gunstig als overheden meer projecten van hernieuwbare energiebronnen en energie efficiency zouden financieren. Overheden kunnen ook een juridisch raamwerk ontwikkelen voor patenten op innovaties op het gebied van schone technologie.

Beleid voor groene energie

Voorbeelden van groene stroom zijn zonne-energie, wind energie, waterkracht en biomassa. Het opwekkend van publieke en private stroom uit deze bronnen kan de bijdrage van verbranding van fossiele brandstoffen aan het versterkte broeikaseffect verminderen, en daarbij de realisatie van de Kyoto doelen een stap dichterbij brengen. Het effect kan worden versterkt door beleid voor groene energie. In dit beleid wordt verplicht gesteld een bepaald deel van de energie op te wekken uit groene bronnen. Consumenten betalen wel zelf voor de energie, maar met behulp van overheidssubsidies kan worden voorkomen dat de prijzen die van energie uit niet-hernieuwbare bronnen overstijgen. Groene energie programma's kunnen consumenten wellicht zelf stimuleren vrijwillig meer geld te betalen voor energie die milieuvriendelijker is. Sinds 1993 is marketing voor groene energie ook mogelijk. Het is al geïmplementeerd in het VK, de VS, Australië, Canada, Zwitserland, Nederland en Duitsland.

Joint Implementation

Het Kyoto protocol bevat een artikelo waarin staat dat landen kunnen deelnemen aan emissie reductie programma's van andere landen, en dat daarmee emissie reductie units (ERU) kunnen worden verdiend. Deze units kan een land gebruiken om de emissienormen te halen. In het protocol heet dit instrument Joint Implementation, of JI.

Clean Development Mechanism

Landen die het Kyoto protocol hebben ondertekend kunnen hun Kyoto doelen halen door te investeren in duurzame ontwikkeling in ontwikkelingslanden. Dit heet een Clean Development Mechanisme, of CDM. CDM mag ook worden toegepast op een ontwikkeld land dat het Kyoto protocol niet heeft ondertekend.

In het Kyoto protocol wordt een review board voor het CDM genoemd. Er staat in dat 'emissie reducties bewezen moeten worden, meetbaar moeten zijn, lange-termijn voordelen moeten bieden voor de landen gerelateerd aan vermindering van klimaatverandering, en gecertificeerd moeten worden door officiële organen'. CDM ontwikkelingen moeten in de eerste plaats worden goedgekeurd door de overheid van het land waarin het wordt toegepast. De overheid moet dan bekijken of het beoogde project in kwestie echt wel bijdraagt aan duurzame ontwikkeling, door de voorspelde uitkomsten van het project te vergelijken met vooropgestelde criteria.

Gerelateerde pagina's

Beschrijving van het broeikaseffect

Fossiele brandstoffen: eigenschappen en ontstaan

Broeikasgassen: emissies en infrarood absorptie

Geschiedenis van het broeikaseffect

Perspectieven betreffende het broeikaseffect

Uitleg van de IPCC-SRES scenario's

De IPCC-SRES scenario's: oorzaken van klimaatverandering

De IPCC-SRES scenario's: gevolgen van klimaatverandering

Overzicht van emissiereducties per land onder Kyoto

Emissierechtenhandel voor behalen van Kyoto doelen

Discussie omtrent het broeikaseffect

Nieuws en onderzoek betreffende het broeikaseffect



Bookmark and Share


Lenntech BV

Rotterdamseweg 402 M
2629 HH Delft
Nederland

tel: +31 (0)15 261 09 00

fax: +31 (0)15 261 62 89

e-mail: info@lenntech.com