Desinfectiebijproducten - gezondheidseffecten

Desinfectiebijproducten - gezondheidseffecten

Wordt er onderzoek gedaan naar de gezondheidseffecten van desinfectiebijproducten?
Desinfectie van het drinkwater, bijvoorbeeld met chloor, heeft ervoor gezorgd dat het aantal watergerelateerde ziektes in landen waar desinfectie wordt toegepast drastisch is afgenomen. De afgelopen dertig jaar gaat er meer aandacht uit naar het potentiële gezondheidsrisico van chemische desinfectiemiddelen in drinkwater. Sinds de ontdekking van chloroform in gechloreerd drinkwater, zijn er verscheidene epidemiologische en proefdierstudies uitgevoerd naar de potentiële gezondheidseffecten van desinfectiebijproducten in drinkwater. Uit dierproeven kwam naar voren dat chloroform als het in hoge doses aan proefdieren wordt toegediend kankerverwekkkend is.

Wat zijn de onderzoeksthema’s?
Veel desinfectiebijproducten zijn bioaccumulatief. Ze worden door het lichaam niet afgebroken maar hopen zich op in de lichaamsweefsels. Er is de afgelopen 30 jaar veel onderzoek gedaan naar de gezondheidseffecten van desinfectiebijproducten. Het onderzoek naar de gezondheidseffecten van desinfectiebijproducten richt zich op de volgende thema’s:

-De gezondheidseffecten op mensen die drinkwater gebruiken dat is gedesinfecteerd. Het onderzoek vindt plaats via epidemiologische studies. Er wordt gekeken naar het effect op de lange termijn, omdat mensen gedurende langere tijd blootgesteld worden aan lage concentraties van desinfectiebijproducten.

-De toxiciteit van afzonderlijke desinfectiebijproducten en van mengsels van desinfectiebijproducten. Dit onderzoek vindt plaats met behulp van laboratoriumdieren.

Wat voor onderzoek wordt er gedaan met proefdieren?
Het onderzoek naar de gezondheidseffecten van desinfectiebijproducten met behulp van proefdieren stuit op een aantal moeilijkheden. Er is sprake van een grote verscheidenheid aan desinfectiebijproducten. Daarnaast kan kanker op verschillende manieren ontstaan. Ook reageren niet alle proefdieren hetzelfde op verschillende desinfectiebijproducten. Trichlooracetaat, een gehalogeneerd azijnzuur, veroorzaakt bij muizen leverkanker, maar bij ratten niet. Men heeft zich in het onderzoek voornamelijk gericht op desinfectiebijproducten met de hoogste menselijke blootstelling en met de hoogste toxiciteit.

Ratten worden gebruikt voor onderzoek naar de gezondheidseffecten van desinfectiebijproducten.

 

Hebben desinfectiebijproducten effecten op de ontwikkeling en voortplanting van proefdieren?
De meeste onderzoeken die zijn uitgevoerd naar de effecten van desinfectiebijproducten op de reproductie richten zich op geboorteafwijkingen en spontane abortus. Er is nog weinig onderzoek gedaan naar de effecten op de mannelijke vruchtbaarheid. Uit een Amerikaans onderzoek naar de effecten van broomdichloormethaan (BDCM) en chloorhydraat (CH) op de mobiliteit van sperma en de weefsels van testikels en van laboratoriumratten, blijkt dat deze desinfectiebijproducten de snelheid en mobiliteit van sperma verlagen. BDCM geeft dit effect bij lagere gehaltes dan CH en andere desinfectiebijproducten die de spermasnelheid verlagen. (Klinefelter, 1996)

Onderzoek naar het effect van een combinatie van desinfectiebijproducten op ratten
In 2002 hebben Amerikaanse onderzoekers gekeken naar de carcinogeniteit van een mengsel van desinfectiebijproducten op ratten. Het doel was om er achter te komen of de carcinogeniteit van de verschillende desinfectiebijproducten in een mengsel werd vergroot en wat het effect was van langdurige blootstelling aan lage gehaltes desinfectiebijproducten. Voor het onderzoek werd gebruik gemaakt van Eker ratten, die zeer gevoelig zijn voor de effecten van nierkankerverwekkende stoffen. Zowel mannelijke als vrouwelijke ratten werden gedurende 4 tot 10 maanden via het drinkwater blootgesteld aan desinfectiebijproducten als dichloormethylhydroxyfuranoon (MX), kaliumbromaat (KBrO3), chloroform (CHCl3) en broomdichloormethaan (BDCM). Voor deze desinfectiebijproducten werd gekozen omdat bewezen is dat ze nierkanker veroorzaken of dat ze giftig zijn voor de nieren. Er werd onderzoek gedaan met lage gehaltes, van 0,005, 0,02, 0,07 en 0,4 mg/L en hoge gehaltes van respectievelijk 0,07, 0,4, 0,7 en 1,8 g/L. De proefdieren werden blootgesteld aan een desinfectiemiddel of aan een mengsel van desinfectiebijproducten. Er bleek een verband te bestaan tussen de dosering en het ontstaan van nierkanker. Bij het gebruik van een mengsel van desinfectiebijproducten ontstonden niet meer tumoren in de nieren, baarmoeder of milt dan bij het bijproduct met het grootste effect. Uit het onderzoek blijkt dat een mengsel van desinfectiebijproducten geen hoger risico op kanker levert dan het desinfectiemiddel met het grootste effect. (Hooth, 2002)

Effecten van chloordioxide, chloriet en chloraat op proefdieren
Een overzicht van beschikbare onderzoeksresultaten van acute en chronische blootstelling van ratten, muizen en kuikens aan chloordioxide, chloraat en chloriet in drinkwater laat zien dat bij al deze proefdieren veranderingen in het bloed plaatsvonden. Deze effecten waren dosis gerelateerd en traden pas op bij hoge concentraties (tot 1g/L). Bij de chronische studies kregen ratten gedurende 30 of 60 dagen chloordioxide concentraties tot 1 g/L en natriumchloriet of –chloraat tot 100 mg/L. Bij concentraties chloriet van 100 mg/l of meer, nam het aantal rode bloedcellen en hemoglobine af. Bij een blootstelling van 90 dagen namen deze effecten af. De effecten waren bij muizen soortgelijk.
Daarnaast blijkt dat chloordioxide, chloriet en chloraat het DNA van de nieren en de testes. Dit kan er op wijzen dat chloordioxide effecten heeft op de reproductie. De uitkomst van deze onderzoeken kan niet direct betrokken worden op mensen. Daarvoor moet meer onderzoek gedaan worden. (Couri, 1982)

Chloroform
Chloroform, een desinfectiebijproduct van chloor, is een van de meest onderzochte trihalomethanen. Toxicologisch onderzoek (Larson, 1994a) toont aan dat chloroform bij laboratoriumdieren leverbeschadigingen en uiteindelijk kanker veroorzaakt wanneer het dagelijks in een grote dosis in de maag wordt ingebracht. De hoeveelheid chloroform die de proefdieren binnenkregen is voor de lever te groot om volledig af te kunnen breken, waardoor leverschade en celdood en regeneratieve celgroei ontstaan. Het risico op celmutatie en kanker in de blootgestelde organen neemt hierdoor toe. Er is tevens een onderzoek uitgevoerd waarbij proefdieren werden blootgesteld aan dezelfde dosis chloroform, maar dan opgelost in het drinkwater. Hierbij ontstond geen kanker. Dit komt waarschijnlijk doordat de dieren de hele dag door kleine hoeveelheden drinkwater met chloroform dronken en de lever de chloroform kon afbreken, zonder beschadigd te raken. (Larson et al., 1994b) Butterworth et al., 1998). De EPA concludeert dat zolang de de blootstelling aan chloroform onder de vastgestelde drempelwaarde blijft die celschade veroorzaakt, de kans op het ontstaan van kanker klein is. De normen die aan drinkwater worden gesteld wat betreft chloroform zitten ver onder deze waarde. ( EPA, 1998)

Wordt er ook onderzoek gedaan naar de gezondheidseffecten van desinfectiebijproducten bij mensen?
Naast experimenten met proefdieren zoals muizen en ratten zijn er ook epidemiologische studies uitgevoerd naar de effecten van menselijke blootstelling aan desinfectiebijproducten in drinkwater. In de eerste onderzoeken werd er gekeken naar het verband tussen sterfte ten gevolge van kanker en het gebruik van al dan niet gechloreerd drinkwater.
Onderzoeken die daarna werden uitgevoerd, toonden aan, dat het drinken van gechloreerd drinkwater een verhoogd risico geeft op blaas- en anuskanker. Dit risico nam niet af als men ook andere factoren, zoals roken, woonplaats en beroep meewoog. Het risico op darmkanker was niet significant, maar nam wel toe bij een hogere concentratie desinfectiebijproducten. (Morris , 1992)

Bij de eerste onderzoeken werd gekeken naar een verband tussen het drinken van gechloreerd water en kanker.

De gezondheidseffecten van gehalogeneerde desinfectiebijproducten kunnen ingedeeld worden in twee groepen. Ze zijn carcinogeen (kankerverwekkend) of hebben effecten op de voortplanting en de ontwikkeling:

Zijn desinfectiebijproducten carcinogeen?
In de jaren 1960 werden er methodes ontwikkeld om met behulp van gaschromatografie en massaspectrometrie chemische stoffen bij zeer lage concentratie te identificeren. Hierdoor werd men zich bewust van de grote hoeveelheid en verscheidenheid aan chemische stoffen in de lucht en het water waar mensen aan blootgesteld worden. In 1974 vaardigde EPA een lijst uit van 187 organische verbindingen die in het drinkwater werden gevonden. Een aantal van deze stoffen bleek mutageen of carcinogeen. Slechts een aantal verbindingen, waaronder trihalomethanen, chloroform, bromoform, dichloormethaan en dibroommethaan kwamen in al het gechloreerde drinkwater voor. Er zijn een groot aantal epidemiologische studies uitgevoerd naar het ontstaan van kanker als gevolg van drinkwater. Voor de meeste onderzoeken is gebruik gemaakt van populatiegegevens om een verband te vinden tussen geografische drinkwaterdistributie en het risico op sterfte als gevolg van kanker. In andere onderzoeken is gekeken naar waterbronnen die gebruikt werden door personen met kanker en waterbronnen van mensen die als gevolg van een andere ziekte waren gestorven. Omdat er geen gebruik werd gemaakt van directe metingen, werden variabelen genomen als oppervlakte- versus grondwater, gechloreerd versus niet-gechloreerd water en rivierwater met industriële lozingen versus rivierwater zonder lozingen. Uit deze onderzoeken kwam naar voren dat er een verband bestaat tussen de drinkwaterkwaliteit en blaas-, darm- en anuskanker. (Cantor, 1980)

Desinfectiebijproducten zijn volgens de WHO niet kankerverwekkend
Het Internationale Agentschap voor onderzoek op het gebied van kanker (IARC) van de WHO heeft in 1991 op basis van toxicologische proefdierstudies en epidemiologische onderzoeken bij mensen een evaluatie gemaakt van het carcinogene gezondheidsrisico van gechloreerd drinkwater. Hieruit kwam naar voren dat het moeilijk is om een relatie te vinden tussen het ontstaan van kanker en het drinken van gechloreerd drinkwater, omdat het om een klein verhoogd risico gaat en dit niet via epidemiologisch onderzoek aangetoond kan worden. Bij alle onderzoeken waren de schattingen van blootstelling aan desinfectiebijproducten onnauwkeurig. Daarnaast spelen er meerdere factoren, zoals roken, voedsel, alcohol, sociaal-economische status en erfeklijke aanleg een rol bij het ontstaan van kanker. (Disinfectants and Disinfection Byproducts, WHO,2001)

Veroorzaken desinfectiebijproducten blaaskanker?
Gedeelte van blaas- en anuskanker toe te schrijven aan blootstelling aan desinfectiebijproductenEen meta-analyse van verschillende onderzoeken toont aan dat er een positief verband bestaat tussen blootstelling aan desinfectiebijproducten in drinkwater en blaas- en anuskanker bij mensen. Negen procent van de gevallen van blaaskanker en vijftien procent van alle gevallen van anuskanker kunnen worden toegeschreven aan chlorering van drinkwater en desinfectiebijproducten. Dat zijn jaarlijks zo’n 10.000 gevallen. (Morris, 1992)

Risico op blaaskanker neemt toe bij langdurige blootstelling aan gechloreerd drinkwater
In 1990 en 1991 is in Colorado (Verenigde Staten) een populatie-onderzoek gedaan naar het verband tussen de desinfectie van drinkwater met behulp van chloor of chlooramines en het voorkomen van blaaskanker. Er werden 327 personen met blaaskanker vergeleken met 261 personen met een andere vorm van kanker. Aan de hand van interviews en gegevens van de Gezondheidsraad is een drinkwaterblootstellingsprofiel gemaakt. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat er een verband bestaat tussen het aantal jaren van blootstelling aan gechloreerd drinkwater en het ontstaan van blaaskanker. Het risico op blaaskanker nam toe bij een langere blootstellingsperiode. Bij een blootstelling van meer dan 30 jaar was het risico op blaaskanker 1,8 keer groter dan wanneer er geen blootstelling had plaatsgevonden. Het gehalte trihalomethanen, nitraten en residuaal chloor werden niet geassocieerd met een risico op blaaskanker. (McGeehin, 1993)

Veertien tot zestien procent van blaaskankergevallen kan te wijten zijn aan desinfectiebijproducten
Onderzoek naar langdurige blootstelling aan desinfectiebijproducten in drinkwater en het voorkomen van blaaskanker uitgevoerd in Ontario, Canada, toont aan dat er een verband bestaat tussen langdurige blootstelling aan desinfectiebijproducten en het risico op blaaskanker. Het risico nam toe bij langduriger blootstelling en bij trihalomethaangehaltes van evenveel of meer dan 50 μg/L. Veertien tot zestien procent van de blaaskankergevallen kan te wijten zijn aan blootstelling aan desinfectiebijproducten. (King, 1996)

Verband tussen blootstelling aan desinfectiebijproducten en blaaskanker
In Finland is onderzoek gedaan naar de relatie tussen langdurige blootstelling aan mutagene en carcinogene stoffen in het drinkwater en kanker. Voor het onderzoek werd van 732 blaaskanker- en 703 nierkankerpatienten en 914 andere mensen de blootstelling aan drinkwater bepaald aan de hand van gegevens over de woonplaats, waterbronnen en historische data van waterkwaliteit en behandeling. Voor mannen bleek er een relatie tussen blootstelling en risico op nierkanker. Voor vrouwen was dit verband niet significant. Voor zowel mannen als vrouwen was er een significant verband tussen blootstelling en blaaskanker. (Koivusalo, 1998)

Risico op blaaskanker belangrijk vanwege groot aantal mensen blootgesteld aan gechloreerd water
Vergelijking van een aantal onderzoeken naar de individuele consumptie van gechloreerd drinkwater en de associatie met blaaskanker, laat zien dat er een verband bestaat tussen langdurige blootstelling aan gechloreerd drinkwater en een verhoogd risico op blaaskanker. Het risico neemt toe bij langere blootstelling. Het risico is niet bijzonder groot, maar omdat een groot gedeelte van de populatie gedurende langere tijd wordt blootgesteld aan gechloreerd drinkwater, is het risico belangrijk omdat er gevallen van blaaskanker te wijten zijn aan blootstelling aan desinfectiebijproducten. (Kogevinas, 2003)

Geven desinfectiebijproducten een risico op darmkanker?
Bij langdurige blootstelling aan gechloreerd drinkwater een verhoogd risico op darmkanker
Onderzoek naar het verband tussen darmkanker en desinfectiebijproducten in drinkwater, laat zien dat er een verhoogd risico is op darmkanker bij het gebruik van gechloreerd drinkwater. In 1995 onderzochten Marret en King 5000 personen in Ontario (Canada) , waarvan er 950 blaas-, darm- of anuskanker hadden. Men maakte gebruik van gegevens over het gehalte trihalomethanen in het water. Daarnaast keek men ook naar andere factoren, zoals eetgewoontes. Uit het onderzoek bleek dat mensen die 35 jaar of langer bloot waren gesteld aan gehaltes van 50 μg/L of meer 1,5 keer meer kans hadden om darmkanker te ontwikkelen. (Marret en King, 1995).

Onvoldoende bewijs voor een verhoogd risico op darmkanker
In 1998 werd onderzoek gedaan met 685 darmkankerpatienten in Iowa (Canada). De controlegroep bestond uit 2400 personen die allen een andere vorm van kanker hadden. Men maakte schattingen van het gehalte aan trihalomethanen in het drinkwater waar men levenslang aan bloot was gesteld. De uitkomsten werden bijgesteld aan de hand van andere factoren. Uit dit onderzoek kwam geen verhoogd risico op darmakanker naar voren. Het verschil in uitkomst tussen deze onderzoeken kan een kwestie van toeval zijn, of veroorzaakt zijn door een andere samenstelling van het drinkwater of door andere factoren veroorzaakt zijn. Er is in dit onderzoek onvoldoende bewijs voor een verband tussen blootstelling aan desinfectiebijproducten en een verhoogd risico op darmkanker.(Mills, 1998)

Verhogen desinfectiebijproducten het risico op anuskanker bij langdurige blootstelling aan gechloreerd drinkwater?
Onderzoek met gegevens van darm- en anuskankerpatiënten uit Iowa uitgevoerd van 1986 tot 1989 toont aan dat er geen verhoogd risico is op darmkanker door langdurige blootstelling aan gechloreerd drinkwater, noch door trihalomethanen. Voor anuskanker blijkt er echter wel een verhoogd risico te zijn. Dit risico is nog groter voor mensen die weinig vezelrijk voedsel eten. Weinig lichaamsbeweging verhoogt ook het risico op anuskanker. (Hildesheim, 1998)

Geven desinfectiebijproducten een risico op blaaskanker?
In Iowa is onderzoek gedaan met gegevens van hersenkankerpatiënten. Het onderzoek had als doel de relatie tussen hersenkanker en blootstelling aan desinfectiebijproducten aan te tonen. Het risico is groter bij mannen die meer dan gemiddeld kraanwater geconsumeerd hebben. Het blijkt dat chlorering van het drinkwater een verhoogd risico geeft op blaaskanker. Dit risico neemt toe naarmate men langer gechloreerd drinkwater gebruikt. (Cantor, 1999)

Zijn desinfectiebijproducten van invloed op de ontwikkeling en voortplanting van mensen?
De meeste aandacht voor gezondheidseffecten van desinfectiebijproducten gaat uit naar kanker als gevolg van langdurige blootstelling aan desinfectiebijproducten in het drinkwater. De normen die gebruikt worden voor toegestane gehaltes van desinfectiebijproducten in het drinkwater zijn gebaseerd op weging van het bewijs voor carcinogeniteit van deze stoffen. (Singer, 1999)

Is er een verband tussen effecten bij proefdieren en mensen?
Uit laboratoriumproeven met dieren blijkt dat blootstelling aan desinfectiebijproducten tijdens de zwangerschap invloed heeft op de reproductie en ontwikkeling en geboorteafwijkingen en spontane abortus kan veroorzaken. Bij mensen zijn deze effecten onderzocht met behulp van populatiegegevens over drinkwaterkwaliteit en behandeling en geboortegegevens. De gehaltes desinfectiebijproducten die deze effecten als gevolg hebben zijn in veel gevallen hoger dan de gehaltes die na langdurige blootstelling tot het ontstaan van kanker kunnen leiden. Voor een juiste regelgeving en normstelling voor desinfectiebijproducten in het drinkwater moet niet alleen gekeken worden naar gezondheidseffecten als gevolg van langdurige blootstelling maar naar alle potentiële gezondheidseffecten. (Singer, 1999)

De uitkomsten van een aantal onderzoeken naar reproductie-effecten bij mensen zijn hieronder weergegeven:

Is er veel onderzoek gedaan naar de effecten op de voortplanting en ontwikkeling bij mensen?
Het aantal epidemiologische studies naar blootstelling aan desinfectiebijproducten en invloed op de reproductie en geboorteafwijkingen is klein. Uit deze onderzoeken blijkt echter dat er een verband is tussen blootstelling aan trihalomethanen en spontane abortus, groeiachterstand en geboorteafwijkingen. (Wigle, 1998)

Is er een verband tussen chloordioxide bijproducten, laag geboortegewicht en vroegtijdige geboorte?
Om de vorming van carcinogene gechloreerde desinfectiebijproducten te beperken, is men gebruik gaan maken van andere desinfectiemiddelen. Deze desinfectiemiddelen zorgen echter ook voor desinfectiebijproducten, welke risico’s vormen voor de gezondheid. Chloordioxide bijvoorbeeld produceert tijdens desinfectie bijproducten als chloriet en chloraat, die gezondheidseffecten kunnen hebben voor kwetsbare personen als pasgeboren baby’s. De ziekte- en sterftecijfers van pasgeborenen in twee gemeenschappen zijn met elkaar vergeleken. In de ene gemeenschap werd het drinkwater gedesinfecteerd met chloor, in de andere met chloordioxide. Er bleek een duidelijk verband te bestaan tussen blootstelling van de moeder aan met chloordioxide behandeld drinkwater en vroegtijdige geboorte en een laag geboortegewicht van het kind. Er was geen verschil te zien in het aantal geboorteafwijkingen en doodgeboortes. (Tuthill, R. 1982)

Moet in het vervolg de blootstelling nauwkeuriger worden bepaald?
Aan de hand van beschikbare epidemiologische gegevens is onderzoek gedaan naar de relatie tussen desinfectiebijproducten in drinkwater en effecten op de reproductie en ontwikkeling. Het epidemiologische bewijs voor een verband tussen blootstelling aan desinfectiebijproducten en nadelige geboorte-uitkomsten is mager. Als er een verband gevonden wordt, moet men daarom voorzichtig zijn in het doen van uitspraken. De onderzoeksmethodes die in het begin gebruikt werden, zijn zeer divers, waardoor het moeilijk is de resultaten met elkaar te vergelijken. Voor toekomstige onderzoeken wordt daarom geadviseerd verbeterde methodes te gebruiken om de blootstelling te bepalen. Dit kan door gebruik te maken van blootstellingsmarkers, seizoens- en jaarschommelingen in gehaltes desinfectiebijproducten en blootstelling via verschillende routes mee te wegen. Daarnaast zijn er populatieonderzoeken nodig om de mannelijke en vrouwelijke vruchtbaarheid, groeiachterstand en specifieke geboorteafwijkingen te bepalen. (Reif, 1996)

Is er een verband tussen blootstelling aan gechloreerd drinkwater en een laag geboortegewicht?
Een onderzoek uitgevoerd met 137145 geboortegegevens van tussen 1993 en 1995 Noorse levendgeborenen, waarbij blootstelling tijdens de zwangerschap aan gechloreerd drinkwater met een hoog gehalte aan natuurlijk organisch materiaal werd vergeleken met geboortegegevens van blootstelling aan niet-gechloreerd drinkwater met een laag gehalte natuurlijk organisch materiaal, laat zien dat er geen verband is tussen blootstelling aan gechloreerd drinkwater en het risico op een laag geboortegewicht en een kleine lichaamslengte. Het risico op vroegtijdige geboorte was iets lager bij blootstelling aan gechloreerd drinkwater dan bij blootstelling aan niet-gechloreerd drinkwater. (Jaakkola, 2001)

Is er een risico op geboorteafwijkingen bij blootstelling aan desinfectiebijproducten in het drinkwater?
In Noorwegen is onderzoek gedaan naar de relatie tussen specifieke geboorteafwijkingen en het voorkomen van natuurlijk organisch materiaal en desinfectiebijproducten in het drinkwater. Hiervoor werden 285631 geboortegegevens van 1993-1998 van heel Noorwegen gebruikt. Het risico op geboorteafwijkingen en meer specifiek op hart-, ademhalings- en urinewegafwijkingen werd geassocieerd met blootstelling aan desinfectiebijproducten. Alleen voor buikwandafwijkingen nam het risico bij grotere blootstelling significant toe. (Bing-Fang, 2002)

Wat zijn de effecten van blootstelling aan trihalomethanen in het drinkwater op de foetale ontwikkeling?
Onderzoek naar de effecten van trihalomethanen op de foetale ontwikkeling onder 56513 baby’s geboren in Massachusets in 1990 toont aan dat blootstelling van de moeder aan trihalomethanen middels het drinkwater zorgt voor een lager geboortegewicht en een kleinere lichaamslengte, oftewel foetale groeiachterstand. Vergelijking van blootstelling aan trihalomethaangehaltes van minder dan 60 µg/l en gehaltes van meer dan 80µg/l laat een vermindering in geboortegewicht zien van 32 gram. Er werd geen bewijs gevonden voor blootstelling aan trihalomethanen en vroegtijdige bevalling. (Wright, 2003)

Is er bewijs voor de invloed van desinfectiebijproducten op de voorplanting?
Bij weging van het toxicologische en epidemiologische bewijs van een aantal onderzoeken naar de effecten van desinfectiebijproducten op de reproductie, bleek dat er te weinig bewijs is voor een verband tussen blootstelling aan desinfectiebijproducten in het drinkwater tijdens de zwangerschap en effecten op de foetale ontwikkeling. Het betrof effecten als het voorkomen van een laag tot zeer laag geboortegewicht, vroegtijdige bevalling, enkele aangeboren afwijkingen, en vroege sterfte van de pasgeborene. Voor andere effecten, zoals aangeboren- / geboorteafwijkingen, afwijkingen van het centraal zenuwstelsel en het ruggemerg, spontane abortus en doodgeboorte bleek het bewijs zwak en inconsequent. Voor een verband tussen groeiachterstand en afwijkingen van de urinewegen en blootstelling aan desinfectiebijproducten werd voldoende bewijs gevonden. Het blijkt dat het epidemiologisch onderzoek dat tot nu toe gedaan is, inadequaat is in het aantonen van een verband tussen blootstelling aan desinfectiebijproducten en effecten op de reproductie. Het meten van de blootstelling is voornamelijk gedaan aan de hand van het bepalen van het gehalte trihalomethanen in het water van drinkwaterbedrijven en van welk drinkwaterbedrijf de moeder water gebruikt. Om te bepalen of er een verband bestaat, moet er gekeken worden naar het gehalte desinfectiebijproducten in het drinkwater en de hoeveelheid drinkwater die de vrouwen werkelijk consumeren. (Graves, 2001) Tot dezelfde conclusie komt een andere groep wetenschappers die ook verscheidene onderzoeken naar de reproductie- en ontwikkelingseffecten van desinfectiebijproducten heeft onderzocht. (Nieuwenhuijsen, 2000)

Is het risico van milieuverontreinigingen op geboorteafwijkingen meetbaar?
Onderzoek naar de het ontstaan van geboorteafwijkingen als gevolg van blootstelling aan chemische milieuverontreinigingen, zoals drinkwaterverontreinigingen, pesticides, afval, industriële vervuilingen, voedselverontreiniging en rampen met grootschalige uitstoot van chemicaliën, toont aan dat het zeer moeilijk is om voor blootstelling aan milieuverontreinigingen het potentiële risico op geboorteafwijkingen te bepalen. Om geboorteafwijkingen te voorkomen en te beperken, moet men de blootstelling aan chemische milieuverontreinigingen beperken. (Dolk, 2003)

Is er een verband tussen geboorteafwijkingen en blootstelling aan broomdichloormethaan en chloroform?
Verband tussen blootstelling aan broomdichloormethaan en chloroform en geboorteafwijkingenMet behulp van geboortegegevens van enkelvoudige geboortes in Nova Scotia, Canada, van 1988 tot 1995 en resultaten van watermonitoringstests is onderzoek gedaan naar de geboorte-effecten van broomdichloormethaan en chloroform. Geboorteafwijkingen die werden onderzocht waren hart- en vaatafwijkingen, afwijkingen van het zenuwstelsel en chromosomale afwijkingen. Blootstelling van de moeder tijdens de zwangerschap aan broomdichloormethaan gehaltes van 20 of meer µg/l werd geassocieerd met een verhoogd risico op afwijkingen van de neurale buis. Blootstelling aan chloroform leek te wijzen op een verhoogd risico op chromosomale afwijkingen. Er werd geen verband gevonden voor blootstelling aan een van beide trihalomethanen en een hazelip. De uitkomsten van dit onderzoek wijzen op het belang van onderzoek van geboorteafwijkingen van specifieke desinfectiebijproducten en met name naar het verband tussen broomdichloormethaan en verwante desinfectiebijproducten en afwijjkingen aan de neurale buis. (Dodds, 2001)

Is er een verband tussen geboorteafwijkingen en blootstelling aan trihalomethanen en chloordioxide?
In 2001 is in Zweden onderzoek gedaan naar het verband tussen hart- en vaatafwijkingen bij kinderen en drinkwaterdesinfectiemiddelen en trihalomethaangehaltes in het drinkwater van de moeders vlak voor en tijdens de zwangerschap. Van de 59422 kinderen hadden er 753 hart- en vaatafwijkingen. Uit het onderzoek kwam naar voren dat het risico op hart- en vaatafwijkingen toeneemt bij hogere trihalomethaangehaltes in het drinkwater. Daarnaast bleek dat er meer risico was op hart- en vaatafwijkingen als chloordioxide en hypochloriet samen gebruikt werden als desinfectiemiddel. Het risico was hoger dan als alleen hypochloriet werd gebruikt. Chloordioxide lijkt een verhoogd risico te geven op hart- en vaatafwijkingen. Dit kan ook veroorzaakt zijn doordat dit water, in vergelijking met het andere water, vuiler is en andere stoffen bevat die potentieel gevaarlijk zijn. Al het water dat werd onderzocht bleef qua totaal THMgehalte onder de norm van 100 μg/L. Dit wijst erop dat zelfs onder deze norm desinfectiebijproducten effecten op de reproductie hebben. (Cedergren, 2001)

Zijn chloordioxide of hypochloriet van invloed op lichamelijke parameters bij de geboorte?
In Italië is onderzoek gedaan naar lichamelijke parameters bij de geboorte en drinkwater dat gedesinfecteerd werd met chloordioxide of met hypochloriet. Dit onderzoek werd gedaan naar aanleiding van eerdere publicaties over de geboorteffecten van bepaalde desinfectiemiddelen en desinfectiebijproducten, zoals het onderzoek van Tuthill (zie hierboven). Hiervoor werden de gegevens onderzocht van 548 vrouwen in Genua die in 1988 of 1989 een kind kregen en gebruikt maken van drinkwater dat met natriumhypochloriet of chloordioxide werd gedesinfecteerd. Als controlegroep werden de gegevens gebruikt van 128 vrouwen in het nabijgelegen Chiavari, waar het drinkwater niet gedesinfecteerd werd. Het water dat in beide steden gebruikt wordt, stemt wat betreft parameters met elkaar overeen. De vrouwen werden ingedeeld in drie groepen, aan de hand van de desinfectie van het drinkwater, namelijk met chloordioxide, natriumhypochloriet of afwisselend een van beiden. Daarnaast werd voor elke geboorte afzonderlijk informatie verzameld betreffende een aantal factoren, namelijk de leeftijd van de moeder, rook- en drinkgewoontes, onderwijsniveau, vroegtijdige bevalling, keizersnede laag geboortegewicht, kleine lichaamslengte, een kleine hoofdomvang en geboortegeelzucht. Gekeken werd naar het effect van het gebruikte desinfectiemiddel op geboorteuitkomsten en –afwijkingen. Er bleek een verband te bestaan tussen het gebruik van drinkwater dat gedesinfecteerd is met chloordioxide en een kleinere lichaamslengte en een kleinere hoofdomvang bij de pasgeboren baby’s. Een hypothese die in de discussie van dit onderzoek voor deze uitkomsten wordt aangedragen, is dat de weerstand van vrouwen die gedurende langere tijd blootgesteld worden aan chloordioxide afneemt. (Kanitz, 1996)
De uitkomst van dit onderzoek kan ter discussie gesteld worden, aangezien er in Italië veel gebruik wordt gemaakt van flessenwater. Zo’n 44 % van de Italianen gebruikt alleen flessenwater omdat men de kwaliteit van het leidingwater niet vertrouwt en omdat er in sommige regio’s soms geen leidingwater beschikbaar is. Gemiddeld drinken de Italianen 160 liter mineraalwater per jaar. Nederlanders drinken gemiddeld 17 liter mineraalwater per jaar. Daarnaast is er niet gekeken naar het gehalte natuurlijk organisch materiaal en de gehaltes chloriet en chloraat die er gevormd zijn door het gebruik van chloordioxide. Chloordioxide vervalt bij een lage pH tot chloride, dat ongevaarlijk is. Bij het koken van water vervliegt het.

Zijn de onderzoeken die gedaan zijn naar de effecten op de voorplanting betrouwbaar?
De uitkomsten van deze onderzoeken tonen aan dat er waarschijnlijk een verband bestaat tussen blootstelling aan (gechloreerde) desinfectiebijproducten voor en tijdens de zwangerschap en geboorteafwijkingen. Het meestvoorkomende effect is een laag geboortegewicht en groeiachterstand. Het bewijs voor andere geboorteafwijkingen, spontane abortus en doodgeboorte is minder consequent.
Het bewijs voor de relatie tussen blootstelling aan desinfectiebijproducten in het drinkwater en reproductie-effecten en geboorteafwijkingen is echter niet sterk genoeg om een dosis-effect relatie aan te geven. Dit kan te wijten zijn aan de gebruikte onderzoeksmethoden en –gegevens. De meeste onderzoeken maken gebruik van geografische gegevens en waterkwaliteitsgegevens van drinkwaterbedrijven om het gehalte aan desinfectiebijproducten te schatten waaraan vrouwen voor en tijdens de zwangerschap worden blootgesteld. Nadeel van deze methode is dat men hierbij een schatting maakt van het gehalte desinfectiebijproducten en niet het werkelijke gehalte desinfectiebijproducten bepaalt. Hierdoor is het moeilijk om een relatie aan te tonen tussen blootstelling aan een bepaald gehalte desinfectiebijproducten en effecten op de reproductie en geboorteafwijkingen.

Waar moet men bij nieuwe onderzoeken op letten?
Door de hoeveelheid water die vrouwen gebruiken te meten, kan men nauwkeuriger het gehalte desinfectiebijproducten bepalen waaraan zij worden blootgesteld. Nog beter zou zijn om daarnaast het gehalte desinfectiebijproducten aan de kraan te meten. De samenstelling en concentratie desinfectiebijproducten kan onder invloed van pH, temperatuur en contacttijd met residuaal desinfectiemiddel in het leidingnetwerk veranderd zijn ten opzichte van het gehalte en de samenstelling bij het drinkwaterbedrijf.
Het is nog niet duidelijk of alle desinfectiebijproducten verantwoordelijk zijn voor deze gezondheidseffecten of dat verschillende desinfectiebijproducten verschillende effecten hebben. Hiervoor is verder onderzoek nodig.
Andere factoren die van invloed kunnen zijn, zoals roken en blootstelling aan milieuverontreinigingen moeten ook verder onderzocht worden.

Welke aanbevelingen kunnen er worden gedaan voor vervolgonderzoek naar gezondheidsrisico’s van desinfectiebijproducten in het drinkwater?
Bij het beperken van het gehalte desinfectiebijproducten in het drinkwater mag de microbiologische kwaliteit van het drinkwater niet in het geding komen. Een goede desinfectie heeft voorrang boven de regulering van desinfectiebijproducten. De gezondheidsrisico’s van desinfectiebijproducten in drinkwater zijn in verhouding met de gezondheidsrisico’s van een inadequate desinfectie zeer klein. Dit bewijst de cholera-epidemie in Peru uit 1991. Deze epidemie brak uit als gevolg van inadequate desinfectie van het water. Het water werd niet voldoende gedesinfecteerd, uit angst voor het ontstaan van desinfectiebijproducten. Wereldwijde aandacht voor desinfectiebijproducten en de grote hoeveelheid wetenschappelijke artikelen over dit onderwerp had een groot aantal drinkwaterbedrijven in Latijns-Amerika doen besluiten om het drinkwater niet meer te chloreren, terwijl het acute gezondheidsrisico van ziekteverwekkende micro-organismen veel hoger, namelijk 100.000 tot 1.000.000 keer, is dan het gezondheidsrisico van chronische blootstelling aan desinfectiebijproducten. De epidemie verspreidde zich over 19 Latijns-Amerikaanse landen en leidde tot 1,2 miljoen ziektegevallen en de dood van 40.000 mensen. (WHO, 1994)
De gezondheidsrisico’ s van desinfectiebijproducten blijken laag te zijn bij de concentraties die in het drinkwater gevonden worden. Toch kunnen deze risico’s niet genegeerd worden, omdat de hoeveelheid mensen die aan desinfectiebijproducten blootgesteld worden groot is.
Nog niet alle desinfectiebijproducten zijn geïdentificeerd. Het is nog niet duidelijk welke desinfectiebijproducten gezondheidseffecten hebben. Bepaald moet worden welke desinfectiebijproducten verder onderzocht moeten worden op hun gezondheidseffecten.
Daarnaast moet er ook gekeken worden naar de effecten van mengsels van desinfectiebijproducten.
Sommige desinfectiebijproducten hebben ook mutagene eigenschappen hebben. Hiernaar moet meer onderzoek gedaan worden.

Hoe worden desinfectiebijproducten gecontroleerd?
Vanwege het gezondheidsrisico van desinfectiebijproducten, zijn er normen opgesteld voor het maximale gehalte desinfectiebijproducten dat er in het water mag zitten.

Nederland

In Nederland staan deze normen vermeld in de Bijlage Kwaliteitseisen drinkwater Waterleidingbesluit (2001). De som van trihalomethanen in het drinkwater mag in Nederland niet boven 25 μg/L komen. Voor bromaat, een desinfectiebijproduct van ozon, is deze norm 1,0 μg/L. Voor andere desinfectiebijproducten zijn in Nederland geen normen opgesteld.

USA
In de Amerikaanse Nationale Primaire Drinkwaternormen wordt voor het totale gehalte trihalomethanen een norm aangehouden van 80 μg/L en voor gehalogeneerde azijnzuren een norm van 60 μg/L.
Om te voldoen aan deze normen, moeten er maatregelen genomen worden.
In de Verenigde Staten staat in Stage 1 Disinfectans and disinfection byproducts rule dat er geavanceerde coagulatie moet worden toegepast om het gehalte desinfectiebijproducten te verlagen. Er zijn echter verschillende waterbehandelingsmethodes die gebruikt kunnen worden om de drinkwaterveiligheid en kwaliteit te behouden en tegelijkertijd het aantal gevormde desinfectiebijproducten te beperken.

Welke methodes zijn er om desinfectiebijproducten te controleren?
Het punt waar desinfectie wordt toegepast veranderen, een ander desinfectiemiddel gebruiken, het organisch materiaal dat met desinfectiemiddelen tot desinfectie bijproducten reageert verwijderen en de verwijdering van desinfectie bijproducten na desinfectie.

In het algemeen is het het beste om het water van te voren te behandelen om zoveel mogelijk organisch materiaal uit het water te verwijderen alvorens desinfectie toe te passen. Dit kan met behulp van bestaande waterbehandelingstechnieken. Coagulatie wordt gebruikt om deeltjes uit het water te verwijderen en de troebeling van het water tegen te gaan. Het kan gebruikt worden voor de verwijdering van natuurlijk organisch materiaal, door de pH aan te passen en hogere doses anorganische coagulatiemiddelen, zoals aluminium- of ijzerzouten toe te voegen. Actief kool wordt gebruikt om opgeloste organische stoffen absorberen. Membranen, die in eerste instantie werden gebruikt om brak water te ontzouten, kunnen ook worden ingezet voor de verwijdering van organisch materiaal uit het water. Bij membraanprocessen wordt hydraulische druk gebruikt om water door een membraan te persen dat de meeste verontreinigingen tegenhoudt. Tot deze processen kunnen ook omgekeerde osmose, nanofiltratie en microfiltratie gerekend worden.

Tevens kan men overschakelen op andere desinfectiemiddelen, zoals ozon, chloordioxide, kaliumpermangaat en chlooramines, om de vorming van desinfectiebijproducten tegen te gaan. Alle desinfectiemiddelen vormen echter desinfectiebijproducten. Naar de desinfectie bijproducten van alternatieve desinfectiemiddelen is echter veel minder onderzoek gedaan.
(Singer, 1999)
Men kan er ook voor kiezen de desinfectiebijproducten na de desinfectie te verwijderen.

Welke normen zijn er voor desinfectiebijproducten ?
Omdat men van sommige desinfectiebijproducten verwacht dat ze een risico vormen voor de volksgezondheid (chloroform, dibroomchloormethaan en bromoform worden gezien als waarschijnlijk kankerverwekkende stoffen en dichloorbroommethaan, dichlooracetonitriel en chloorhydraten als mogelijk kankerverwekkend) hebben gezondheidsinstanties wereldwijd normen opgesteld voor het maximale gehalte aan desinfectiebijproducten in het drinkwater.

Nederland
In het Nederlandse Drinkwaterleidingbesluit wordt voor trihalomethanen een norm aangehouden van 25 μg/L. (Waterleidingbesluit, 2001)

EU
In de Europese drinkwaterrichtlijn 98/83/EC (1998) staat voor het totaal gehalte trihalomethanen een maximum gehalte van 100 μg/L. Waar het mogelijk is zouden lidstaten moeten streven naar een lager gehalte.

WHO
De WHO schrijft voor drie trihalomethanen een afzonderlijke norm voor, voor broomdichloormethaan (BDCM) is dat 60 , voor bromoform 100, voor chloroform 200 μg/L.

USA
De EPA in de Verenigde Staten houdt zich sinds 1979 bezig met wetgeving op het gebied van desinfectiebijproducten. In 1996 werd, met de herziening van de Safe Drinking Water Act, door het Congres gevraagd om een herziening van de EPA normen voor desinfectiemiddelen en desinfectiebijproducten. Deze herziening heeft als doel het risico van desinfectiebijproducten te beperken, terwijl het drinkwater beschermd wordt tegen microbiologische verontreiniging. In 1998 werd door EPA de Stage 1 Disinfectants and Disinfectant Byproducts Rule uitgevaardigd. Er zijn een aantal aanbevelingen gedaan om het gehalte aan desinfectiebijproducten kosten-effectief te verlagen, zonder de veiligheid van het water in gevaar te brengen. In de Verenigde Staten is de norm met ingang van de ‘Stage 1 Disinfectants and disinfection byproducts rule’ verlaagd van 100 naar 80 μg/L. (EPA, 2001)

 

 

Meer weten over de desinfectie van water?:

Inleiding waterdesinfectie Noodzaak behandeling water Geschiedenis waterbehandeling

Drinkwaterbehandeling Nederland

Wat is water desinfectie? Noodzaak desinfectie van water Geschiedenis desinfectie Ziektes Voorwaarden voor desinfectie Factoren van invloed op desinfectie Regelgeving desinfectie drinkwater Nederland EU USA WHO

Zwembadbehandeling Zwembadverontreinigingen Zwembaddesinfectie Zwembaddesinfectie en gezondheid Zwembad regelgeving

Koeltorenwater Koeltorenverontreinigingen Koeltorendesinfectie Koeltorenregelgeving

Chemische desinfectiemiddelen Chloor Natriumhypochloriet Chlooramines Chloordioxide Koper-zilver ionisatie Waterstofperoxide Broom

Ontstaan desinfectiebijproducten Soorten desinfectiebijproducten Onderzoek gezondheidseffecten desinfectiebijproducten

Vergelijking desinfectiemiddelen

 

 







Lenntech BV

Rotterdamseweg 402 M
2629 HH Delft
Nederland

tel: +31 (0)15 261 09 00

fax: +31 (0)15 261 62 89

e-mail: info@lenntech.com











Bookmark and Share