Lenntech <!-- PLUGIN:LANGUAGE:water_treatment_and_purification --> Lenntech <!-- PLUGIN:LANGUAGE:water_treatment_and_purification -->

Water weetjes

Een groep natuurkundigen heeft een nieuw deeltje ontdekt. Ze vieren dat uitbundig met champagne zo'n 100 meter diep onder de grond bij het instrument waarmee het deeltje is waargenomen. Dan gaan ze met de lift omhoog. Waar krijgen ze waarschijnlijk last van?

A Van hun hoofd.

B Van hun maag.

C Van hun benen.

Er gaat een mooi verhaal over de aanleg van de eerste tunnel onder de Thames in Londen (Rotherhithe). Het is 10 november 1827, de dag dat de gravers elkaar op het diepste punt van de tunnel eindelijk de hand kunnen schudden. Dit feit verdient een feestje, ook voor de aandeelhouders. Het valt de genodigden op dat de champagne bij het uitschenken weinig bubbelt. Maar als iedereen weer het daglicht opzoekt, komen de belletjes via de slokdarm letterlijk hun neus uit. Hoe kan dit? Onder de grond is de atmosferische druk groter, waardoor de kooldioxide (koolzuur) veel makkelijker in oplossing blijft. Er zit nogal wat koolzuur in champagne (er gaan 49 miljoen bubbels in een fles). Door van grote diepte naar boven te komen ontstaat er decompressie (de druk vermindert) waardoor er snel veel koolzuurgas zal vrijkomen. Bovendien warmt de champagne in de buik geleidelijk op, waardoor er extra kooldioxide vrijkomt. En dan gaat je maag opspelen. Het verschijnsel is te verklaren met de wet van Henry, uitgedrukt in de formule Xco2* Kco2 = Pco2 "De hoeveelheid gas geabsorbeerd door een bepaalde hoeveelheid vloeistof, is recht evenredig met de partiële druk van dit gas boven de vloeistof, bij een bepaalde temperatuur" (Journal of Chemical Education, no. 12, vol. 48, dec. 1971). Antwoord B is dus juist.

Goede koks kloppen het eiwit voor een meringue het liefst in een koperen kom. Waarom?

A Koperoxide verhoogt de zuurgraad van het eiwit, waardoor er mooier schuim ontstaat.

B Door de elektrische spanning tussen het koper en de metalen garde krijg je mooier schuim.

C Doordat koperionen uit het koper zich binden met het eiwit en zo het eiwit stabiliseren, krijg je mooier schuim.

Een meringue is een traktatie van stijfgeklopt, in de oven gedroogd eiwit. Om dat eiwit stijf te krijgen moet er flink geklopt worden in een schone kom. Het liefst in eentje van koper, zodat er een prachtig crèmekleurig schuim ontstaat en het gevaar van overklopping (waardoor het schuim verandert in water met klonters eiwit) minimaal is. Door het kloppen hechten koperionen zich aan het eiwit, hetgeen een gunstige uitwerking heeft op de stabiliteit van het schuim, het zogeheten conalbumine. De scheikundige P.R. Azari toonde dit al eind jaren vijftig aan op de universiteit van Nebraska. Er zijn ook experimenten gedaan met ijzeren en zinken kommen, maar die ionen blijken zich niet of nauwelijks te hechten aan het eiwit. Koks kiezen dus niet geheel onterecht voor koperen kommen. Voor vergiftiging bestaat geen gevaar, want de hoeveelheid koper die er aan het eiwit blijft vastzitten is zeer gering. Antwoord C is dus juist.

Wat gebeurt er als je een met water gevuld plastic boterhamzakje vlak boven een brandende kaars houdt?

A De zak blijft heel en het water wordt warm.

B Er springt prompt een gat in de zak en het water dooft de kaars.

C De zak gaat sterk krimpen.

Water kan zeer veel warmte opnemen. Die grote warmtecapaciteit is ook de reden waarom men al eeuwen lang brand met water blust. Het water koelt het zakje dat daardoor niet de kans krijgt om te smelten of te verbranden. Dus alleen het water wordt warm en er gebeurt verder niets. Nou ja, niets... Uiteindelijk wordt het zakje poreus en zal er wat water gaan lekken. Het goede antwoord is A.

In een verkwistende bui gooi je een liter jenever in de oceaan. Die nacht stormt het flink en de alcohol wordt door alle wereldzeeën gemengd. Hoeveel alcoholmoleculen zitten er nu ongeveer in iedere liter zeewater?

A 4000 moleculen.

B 100 moleculen.

C Minder dan 1 molecuul.

1 liter jenever bevat 350 ml alcohol, dat is 276,15 gram. 1 mol ethanol, de standaardeenheid voor 6*1023 moleculen, weegt 46,1 gram. In 276,15 gram ethanol zitten ongeveer 3,594 * 1024 moleculen. Geschat wordt dat er ongeveer 1021 liter zeewater op de aarde is. Delen we dat op elkaar, dan komen we op 3594 moleculen per liter. Omdat er verschillende soorten jenever zijn met verschillende, ook hogere alcoholpercentages, hebben we 4000 moleculen aangehouden. Antwoord A is dus juist.

Twee identieke glazen zijn gevuld met water van gelijke temperatuur. In één glas los je twee eetlepels zout op. Vervolgens gooi je in beide glazen twee ijsblokjes. Je laat de glazen rustig staan. Wat gebeurt er?

A Het ijs in het glas met zout water smelt sneller.

B Het ijs in het glas met zout water smelt langzamer.

C Er is geen verschil. In het bekertje met zoet water smelt het ijs.

Het koud smeltwater is zwaarder dan het oorspronkelijke water, zodat het naar de bodem zakt. Het warme water stijgt juist op, waardoor er weer ijs zal smelten. Kortom, er treedt circulatie op in het glas. Er wordt steeds warm water aangevoerd dat het ijs snel doet smelten. Anders gaat het toe in het glas met zout water. Daar is het smeltwater van het ijsblokje zoet en het omgevingswater is zout. Zoetwater is veel lichter dan zout water. Het koude zoetwater zal niet zakken en het ijsklontje blijft omgeven door het koude smeltwater. Er treedt geen convectie op en daarom zal het ijs in het glas met het zoute water veel langzamer smelten. Antwoord B is daarmee juist.

De pistoolgarnaal heeft een schaar die hij heel snel kan samentrekken. Daarmee schiet hij een waterstraal op zijn prooi af. Tegelijkertijd genereert hij indrukwekkende knallen. Waardoor ontstaan die knallen?

A Door drie uitsteeksels op de schaar die heel snel over elkaar heen schieten.

B Door mechanische vibraties die ontstaan op het moment dat de schaar dichtklapt.

C Door een imploderende gasbel in de afgeschoten waterstraal.

Het goede antwoord is pas een paar maanden bekend. Wat er gebeurt is op video vastgelegd door medewerkers van de Universiteit Twente. Zij filmden met een high speed camera de schaar van de pistoolgarnaal in actie. Daaruit bleek dat de garnaal zijn schaar sluit in minder dan 300 microseconde. Op dat moment spuit de garnaal water weg met een snelheid van dertig meter per seconde (ruim 100 km/h). Die hoge snelheid zorgt ervoor dat de druk ter plekke plotseling dramatisch zakt. Daardoor vormt zich een gasbel. Maar de druk neemt weer snel toe en de bel stort weer heel snel in elkaar. Het imploderen van de bel geeft de fikse knal, die zelfs op de sonar van onderzeeërs te zien is. Antwoord C is juist.

Waaraan ontlenen zout en suiker hun conserverende werking in voedingsmiddelen?

A Ze creëren chemische verbindingen die giftig zijn voor de aanwezige bacteriën.

B Ze drogen de aanwezige bacteriën uit.

C Ze veroorzaken een dodelijk hoge druk in de bacteriën.

Als je een oplossing maakt van minstens twintig procent zout of suiker, zullen de boosdoeners die ons voedsel bedreigen langzaam maar zeker uitdrogen. Dat komt door de osmotische druk van het zout of de suiker. Osmose is diffusie door een half-doorlaatbare wand, waarbij het vocht in de richting van de sterkste concentratie trekt. De suiker- of zoutconcentratie buiten de bacterie is zeer hoog vergeleken met de concentratie binnen de bacterie. Het water in de bacterie zal door de wand heen naar de hoge concentratie zoet of zout water buiten de bacterie stromen. De hele bacterie loopt leeg en zal uitdrogen. De natuur wil namelijk altijd concentratieverschillen opheffen. Het juiste antwoord is B.

Je neemt een halve liter gedestilleerd water en lengt die aan met een halve liter zuivere alcohol, beide uit de koelkast (7 graden Celsius). Direct na het mengen is het mengsel:

A kouder dan 7 graden en precies een liter.

B 7 graden en iets meer dan een liter.

C warmer dan 7 graden en iets minder dan een liter.

Antwoord C is juist. Het totale volume aan vloeistof neemt af en de temperatuur stijgt. De hoeveelheid vloeistof neemt af doordat de water- en alcoholmoleculen extra verbindingen gaan vormen, zogeheten waterstofbruggen. Door deze verbindingen worden de intermoleculaire ruimten opgevuld. De vloeistofmoleculen gaan dichter tegen elkaar zitten, met als gevolg dat het totale volume kleiner wordt. Eén liter (1000 ml) wordt zo 975 ml. Bij deze reactie komt ook energie vrij, het is een zogeheten exotherme reactie, met als gevolg dat de temperatuur stijgt. Bij menging van een halve liter pure alcohol met een halve liter zuiver water, beide van 7° Celsius, kan de temperatuur boven de 20 graden uitkomen.

Je kookt groene groente. Welke kookwijze geeft het gezondste resultaat?

A Opzetten in een gesloten pan met weinig koud water.

B Opzetten in een half open pan met ruim koud water.

C Opzetten in een open pan met ruim kokend water.

Het juiste antwoord is C. Opzetten in een open pan met ruim kokend water. Groene groenten kunnen slecht tegen een lang kooktraject. Vooral een temperatuur tussen 66 en 77°C is schadelijk voor de groente omdat er enzymen vrijkomen die de vitaminen aantasten. Die enzymen verliezen hun werking pas bij kooktemperatuur. Door groene groente direct in ruim kokend water te doen is deze snel aan de kook en hebben de enzymen en zuren weinig kans om schade aan te richten aan onder andere het chlorofyl. De groene groente blijft, mits kort gekookt, knapperig en mooi van kleur en behoudt de meeste vitamines: gezond en ook lekker. Verder is het verstandig om groenten in veel water te koken en het deksel van de pan te laten. In ruim kokend water zullen de vrijkomende zuren sterk worden verdund, zodat ze gemakkelijk met het kookvocht kunnen worden afgevoerd. Door het deksel van de pan te laten zullen de vluchtige zuurbestanddelen direct verdampen. De vitamines blijven overigens het best behouden bij stomen en roerbakken, want dan is de hitte nog hoger en de kooktijd dus nog korter. Maar bij die bereidingswijzen lossen de vrijkomende plantenzuren minder op.

Wat houdt de grote diepzeestromingen in de oceanen gaande?

A De aantrekkingskracht van de maan.

B Ozon variaties in de stratosfeer.

C Zwaar zeewater.

Het juiste antwoord is C. De dichtheid van het oceaanwater hangt af van het zoutgehalte en de temperatuur van het water. Deze dichtheidsverschillen worden groter als er water verdampt aan het oppervlak, waardoor het resterende water zouter en koeler wordt. Verdamping kost immers warmte. Zo is het relatief zoute en warme water dat met de Golfstroom naar het noorden wordt getransporteerd, bij aankomst in de poolgebieden flink afgekoeld en zouter geworden. Daarmee is ook de dichtheid toegenomen. Dit zwaardere water zakt naar beneden. Dit drijft de stroming aan, voornamelijk in de diepzee. De grootschalige oceaanstromingen in de diepzee hebben afmetingen van enkele duizenden kilometers. Deze zogeheten thermohaliene circulatie, is een belangrijke component. De wind aan het zeeoppervlak is een andere factor. Die is vooral verantwoordelijk voor de stromingspatronen aan het oceaan-atmosfeer grensvlak (Deze staan ingetekend op een globe of op landkaarten). Het totale driedimensionale stromingsbeeld in de wereldoceanen wordt dus door zowel de windgedreven als door thermohaliene circulatie gevormd.

Op twee weegschalen staan identieke teilen met water. In één teil drijft een blok. Het waterpeil is in beide teilen even hoog. Welke teil weegt het meest?

A De teil zonder het blok.

B Ze wegen beide evenveel.

C De teil met het blok.

Antwoord B is juist. In de derde eeuw voor Chr. formuleerde Archimedes van Syracuse (Sicilië) een van de oudste natuurwetten. De wet van Archimedes zegt dat de opwaartse kracht gelijk is aan het gewicht van de verplaatste vloeistof. De opwaartse kracht in de teil met het blok is dus gelijk aan het gewicht van het water dat door het deel van het blok dat onder water zit, is verplaatst. Dat is precies gelijk aan de extra hoeveelheid water die in de andere teil zit, want de waterniveaus zijn even hoog.

Als je tegen een kopje koffie tikt terwijl je er poedermelk bij doet, verandert de toonhoogte. Hoe komt dat?

A Omdat er extra lucht in de koffie komt, verandert de voortplantingssnelheid van het geluid in het kopje.

B Het vet in de melkpoeder verandert de frequentiekarakteristiek van de koffie in het kopje.

C De melkpoeder koelt de koffie af waardoor de resonantiefrequentie van het kopje verandert.

Antwoord A is juist. Er is lang op dit probleem gestudeerd, in 1969 losten wetenschappers van het Instituut voor Geofsyica en Planetaire Natuurkunde in San Diego (VS) het probleem op. Melkpoederdeeltjes die in de koffie worden gegooid, hebben aan hun oppervlakte heel veel kleine luchtbelletjes. In lucht verplaatst geluid zich maar liefst viermaal langzamer dan in koffiewater. Zit dit koffiewater nu vol met talloze luchtbelletjes, dan neemt de snelheid van het geluid in de kop drastisch af. Immers, hoe langzamer geluid beweegt, des te minder trillingen er per seconde voorbijkomen. De toonhoogte of frequentie wordt bepaald door het aantal trillingen per seconde: hoe minder trillingen per seconde hoe lager de toon. Met slechts één lepeltje poeder daalt de toonhoogte al tot wel dertig keer, terwijl de belletjes niet meer dan een honderdste deel van het bakje koffie uitmaken.

Je laat stroop van een lepel afdruipen in een strooppot. Als je de lepel hoog houdt, is de straal dun; als je hem laag houdt, is de straal dik. Wanneer komt er de meeste stroop in de pot?

A Als je de lepel laag houdt.

B Als je de lepel hoog houdt.

C Laag of hoog, het maakt geen verschil.

Antwoord C is juist. Een straal stroop is te beschouwen als een niet-elastische straal van vallende deeltjes. Dat wil zeggen dat wat de lepel eenmaal verlaten heeft geen invloed meer uitoefent op de achtergebleven stof. De deeltjes gaan na het verlaten van de lepel steeds sneller vallen (net als losse knikkers). Aangezien de toevoer van deeltjes constant is (we gaan ervan uit dat de lepel in beide gevallen even schuin wordt gehouden), moet de straal naar onderen toe wel dunner worden: er passeren immers evenveel deeltjes per seconde, maar bovenaan vallen ze langzamer. Hoe lager ze komen, des te groter wordt hun snelheid. Omdat het aantal deeltjes gelijk blijft, moet de stroom wel dunner worden naarmate hij sneller gaat. Kortom: bovenin is de straal dik en onderin dun. Uiteindelijk landt er per tijdseenheid evenveel stroop vanaf de hoog gehouden lepel op het bord als vanaf de lage. Alleen de snelle deeltjes uit de dunne straal vallen harder. Het is eenvoudig met een proefje aan te tonen. Begin met een lage lepel en beweeg hem omhoog; er gaat niet ineens meer of minder stroop van de lepel vallen

Als je een fles champagne voorzichtig opent, ontsnapt er vaak een pluimpje mist. Wat is dat?

A Most.

B Water.

C Koolzuur.

Op het moment dat je de fles opent, valt in één keer de koolzuurdruk weg. Dit fenomeen heet adiabatische expansie. Het uitzetten van het uitdijende gas kost energie die aan het gas wordt onttrokken. Het gas koelt daardoor af, waardoor de waterdamp die in het gas aanwezig is, condenseert. Dat is de mist die je ziet. Antwoord B is dus juist. In een vliegtuigcabine waar de druk plotseling wegvalt, gebeurt hetzelfde. In de cabine hangt dan in één keer een dikke mist. Antwoord c is fout: Het is geen koolzuur, dat condenseert pas bij zo'n 79 graden onder nul en zo koud wordt het niet.

Je zet twee even grote stekjes van dezelfde plant op de vensterbank en geeft ze regelmatig met een gieter evenveel water. Eén van de twee stekjes aai je elke dag een beetje, het andere laat je onberoerd. Welk effect heeft deze behandeling na een paar weken op de groei van de planten?

A Geen effect, beide planten groeien even snel.

B De vertroetelde plant groeit sneller dan de andere.

C De vertroetelde plant blijft in groei achter.

In 1990 deden onderzoekers van de Stanford University in de Verenigde Staten een experiment met het onooglijke plantje Arabidopsis (de zandraket, een soort fruitvliegje onder de planten). Ze besproeiden kleine planten met hormonen en keken of dat effect op hun groei had. Dat bleek inderdaad het geval, ze groeiden langzamer. Ook bleek dat planten die alleen met water besproeid waren, eveneens langzamer groeiden. Men kwam erachter dat aanraking de groei vertraagt. Een typisch geval van serendipiteit. Door de aanraking wordt een aantal genen geactiveerd dat groeiremmend werkt. De officiële term voor dit verschijnsel is thigmomorfogenese. De vraag is waarom planten zo reageren. Onderzoekers stellen dat planten zich moeten wapenen tegen windvlagen. Dat doen ze door hun structuur te versterken. Maar daar is extra energie voor nodig en dat gaat ten koste van de groei. Een experiment met maïs toont aan dat als maïsplanten elke dag 30 seconden worden geschud, hun opbrengst met 30 tot 40 procent afneemt ten opzichte van vergelijkbare planten die niet geschud zijn. Aanraken is dus bepaald niet vertroetelen. Antwoord c is juist.

Een groenteboer zet 's ochtends 200 kilo komkommers in kisten buiten. De komkommers bestaan voor 99 procent uit water. De groenteboer verkoopt die dag geen enkele komkommer. Aan het eind van de dag zijn de komkommers wat uitgedroogd en bestaan ze nog maar voor 98 procent uit water. Hoeveel kilo komkommers heeft hij dan over?

A 100 kilo.

B 196 kilo.

C 197,77 kilo.

Het antwoord gaat geheel tegen de intuïtie in, maar het is gewoon een kwestie van rekenen. Als 200 kilo komkommers voor 99 procent uit water bestaan, betekent dat dat er 2 kilo 'droge' massa of 'droge' stof is. Die droge massa verdampt niet. Dus aan het eind van de dag is er nog steeds 2 kilo droge massa. Maar de komkommers bestaan nu nog maar voor 98 procent uit water. De resterende 2 procent zijn de 2 kilo droge massa. Dus 2 kilo is 2 procent. 100 procent is dan gelijk aan 100 kilo. Er is dus 100 kilo aan komkommers over. Antwoord a.

Ongeveer 300 miljoen jaar én ongeveer 100 miljoen jaar geleden waren er veel grotere vliegende dieren dan in andere tijdperken. Hoe kwam dat?

A Er was toen meer zuurstof in de lucht, dus was de dichtheid groter en was vliegen gemakkelijker.

B Er was toen meer kooldioxide, dus was de atmosfeer gemiddeld warmer en daarom was vliegen gemakkelijker.

C De vliegende dieren hadden toen veel dunnere vleugels, waardoor ze naar verhouding lichter waren en dus groter konden zijn.

Er zijn twee perioden in de geschiedenis van de aarde waarin de zuurstofconcentraties in de atmosfeer vrij hoog waren. Tegenwoordig bestaat zo'n 21 procent van de lucht uit zuurstof, 100 miljoen jaar geleden was dat circa 26 procent en 300 miljoen jaar geleden zelfs 35 procent. Insecten met een spanwijdte van 70 centimeter waren toen heel gewoon; of grote vliegende dinosaurussen. Meer zuurstof maakt de lucht dichter en dat betekent, zo concludeerde de Amerikaanse zoöloog Robert Dudley onlangs na uitvoerige experimenten, dat het gemakkelijker was om te vliegen. Hij deed experimenten met kolibries in verschillende luchtsamenstellingen. Hieruit bleek dat het zuurstofniveau het vliegen direct beïnvloedt. Die beïnvloeding betreft twee effecten waarvan er hier een is belicht. Minder zuurstof betekent dat de dieren hun vleugelstand in zo'n extreme hoek moeten zetten dat het steeds moeilijker wordt om te vliegen. Daarnaast, en dat is wellicht een belangrijker effect, zorgt extra zuurstof er voor dat vliegende dieren veel gemakkelijker aan zuurstof voor de verbranding komen tijdens de vlucht. Beide effecten maken het mogelijk dat er indertijd veel grotere vliegende dieren waren dan nu. Antwoord a is goed, antwoord b en c zijn onzin.

Er staat een heerlijk kopje koffie op je te wachten. Helaas, net als je de koffiemelk erbij wilt doen, wordt er aangebeld. Hoe zorg je er nu voor dat de koffie zo warm mogelijk blijft?

A Door er nog snel koffiemelk bij te doen voordat je naar de deur loopt.

B Door te wachten met de koffiemelk totdat je weer terug bent.

C Doe wat je wilt, het maakt voor de temperatuur van de koffie geen verschil.

Het toevoegen van koude melk aan de koffie verlaagt natuurlijk de temperatuur van de koffie. Of je dat nu vóór of na het openen van de deur doet maakt niet uit. Maar de thermodynamica leert dat de snelheid van afkoeling afhangt van het temperatuurverschil met de omgeving. Hoe groter het temperatuurverschil, hoe sneller de hitteafgifte. Hete koffie zal daardoor sneller afkoelen dan iets koudere koffie. Als je de koffie al iets kouder hebt gemaakt door er melk bij te doen, zal de afkoeling langzamer verlopen dan wanneer je de hete koffie laat staan en er na een paar minuten pas melk bijgooit. In de experimenten die wij zelf gedaan hebben scheelde het in vijf minuten bijna 2 graden. Antwoord a is dus juist.

Je hebt een blok ijs waar een bijl in vastgevroren zit. Het ijsblok drijft in een teil met water. Het water staat precies tot de rand. Als het ijs gesmolten is, zal het water

A over de rand gestroomd zijn.

B nog precies tot de rand staan.

C lager dan de rand staan.

Wanneer de bijl in het ijs zit, telt het gewicht van de bijl. Dat bepaalt hoe diep het ijs in het water ligt. Hoe groter het gewicht, hoe dieper het ijs zal liggen en hoe hoger het waterpeil zal zijn. Als het ijs smelt en de bijl op de bodem zinkt, telt alleen nog het volume van de bijl. Het waterpeil zal dus zakken. Of het ijs wel of niet gesmolten is, maakt voor het waterpeil niet uit. Antwoord c is dus juist.

Wat is de kleinste hoeveelheid moleculen waarbij water de eigenschappen van een vloeistof heeft.

A 1 watermolecuul.

B 2 watermoleculen.

C 6 watermoleculen.

Eén molecuul heeft geen kookpunt of vriespunt en kan niet nat zijn. Natheid, kookpunt of vriespunt zijn concepten die niet bestaan in de wereld van een enkel, los molecuul. Dat stelde ooit Nobelprijswinnaar (1987) voor de chemie Jean Marie Lehn. Hij is de bedenker van de term 'moleculaire sociologie'. Individuele moleculen zijn weliswaar dragers van bepaalde eigenschappen, maar die eigenschappen komen pas tot expressie als er meer moleculen samen zijn.Voor water zijn dat zes moleculen. Dat bleek dit jaar uit een onderzoek van Britse en Amerikaanse onderzoekers. Zij onderzochten zogeheten waterclusters en keken naar de eigenschappen van clusters van twee, drie, vier, vijf en zes watermoleculen. Het bleek dat vijf watermoleculen of minder een platte structuur aannemen en een soort moleculaire film vormen. Pas als zes moleculen samenkomen, ontstaat er een driedimensionale structuur met de eigenschappen van vloeibaar water.

Je strooit een kilo droogijs in een bak met 50 liter water van 20 graden Celsius. Er vormt zich een spectaculaire nevel. Zodra de vaste stof uit de bak is verdwenen, is het volume van het water

A hetzelfde als vóór de toevoeging van het droogijs.

B groter dan vóór de toevoeging van het droogijs.

C kleiner dan vóór de toevoeging van het droogijs.

Er wordt geen gas opgenomen in het water. Dat betekent dat er geen sprake is van een volumetoename. In essentie zou het volume dus gelijk moeten blijven ......maar droogijs is zeer koud (bevroren koolzuur). Het water koelt dus door de toevoeging van het droogijs sterk af. Aangezien koud water een kleiner volume heeft dan warm water, is antwoord C het goede antwoord. Het volume wordt kleiner, zij het slechts weinig.

Wanneer je op een vochtig zandstrand loopt wordt het zand rond je voeten bij elke stap wit en droog. Hoe komt dat?

A Je gewicht veroorzaakt een drukgolf die het water uit het zand rond je voeten naar buiten toe wegdrukt.

B Je gewicht veroorzaakt een kuil; het water loopt naar het laagste punt, namelijk onder je voeten.

C Het water rond je voeten wordt weggezogen doordat de ruimte tussen de zandkorrels toeneemt.

Doordat het zeewater voortdurend over het zand heen rolt liggen de zandkorrels zo dicht mogelijk op elkaar. De dichtste stapeling van de korrels is vergelijkbaar met de manier waarop een groenteboer zijn sinaasappels op elkaar stapelt. Op die manier is de ruimte tussen de korrels minimaal. Ga je nu plaatselijk het zand belasten, wat je doet door met je voet druk uit te oefenen, dan verstoor je de dichtst mogelijke stapeling. Er zal dus altijd meer ruimte tussen de korrels ontstaan. Om die toegenomen ruimte op te vullen wordt er water uit de omgeving weggezogen. Kortom, het zand wordt droger. Het zal even duren voordat er genoeg water wordt aangevoerd. Na een tijdje is het zand dus weer gewoon nat. Laat je je voet dan los, dan is er een overmaat aan water, omdat de korrels heel snel weer naar hun oorspronkelijke dichte schikking gaan.

Er gaan zorgelijke stemmen op dat we in de volgende eeuw een tekort aan schoon zoet water zullen hebben. Je wilt een waterzuinige maaltijd bereiden. Wat kost per kilo het minste water?

A Rijst.

B Pasta.

C Aardappels.

De onderzoeker David Pimentel deed een onderzoek naar de hoeveelheid water die nodig is om voedsel te produceren. Uit zijn berekeningen blijkt dat aardappels het minste water nodig hebben. Per kilo aardappels is 500 liter water nodig. Voor het verbouwen van een kilo graan, waar pasta van gemaakt wordt, is 900 liter water nodig. Voor rijst is dat 1912 liter. De hoeveelheid water die nodig is om het voedsel te koken valt hier natuurlijk bij in het niet. Overigens vergt vleesproductie extreem veel water: voor een kilo kip is 3500 liter water nodig en voor een kilo rundvlees 100.000 liter. De vleeseters onder ons zijn dus de grootste waterverbruikers. Antwoord C is het juiste antwoord.

In een kelder vind je een fles cognac VSOP van het begin van deze eeuw. Aangenomen dat cognac nog steeds op precies dezelfde wijze wordt geproduceerd, wat is dan het smaakverschil tussen deze zeer oude cognac en een fles VSOP van nu?

A De oude is waarschijnlijk bedorven.

B Er is geen smaakverschil.

C De oude is veel rijper en dieper van smaak.

Kwaliteitsverlies van drank wordt veroorzaakt door gisting en oxidatie van stoffen in de drank. Het alcoholpercentage van cognac is echter zo hoog, dat er geen oxidatie of gisting meer in plaatsvindt. Een afgesloten fles cognac kan in die zin worden beschouwd als een onveranderlijk mengsel van chemische stoffen. Zolang de dop op de fles blijft, verandert de chemische samenstelling niet en dus zal de smaak hetzelfde blijven.

Een langwerpig aquarium staat met zijn uiteinden op twee weegschalen. Beide weegschalen geven hetzelfde gewicht aan. Aan een van de twee uiteinden van het aquarium druk je een bal gedeeltelijk onder water. Wat gebeurt er ?

A Aan de kant waar je de bal in het water drukt, wijst de weegschaal een lager gewicht aan dan de weegschaal aan de andere kant.

B Beide weegschalen wijzen hetzelfde gewicht aan.

C Aan de kant waar je de bal in het water drukt, wijst de weegschaal een hoger gewicht aan dan die aan de andere kant.

Het waterniveau stijgt. Op de plaats waar de bal zit ontbreekt een hoeveelheid water. De kracht waarmee de bal in het water wordt gedrukt is gelijk aan de opwaartse druk. De wet van Archimedes leert dat de opwaartse druk gelijk is aan het gewicht van het verplaatste water. Nu kan in gedachten het volume dat de bal inneemt worden vervangen door water. Aangezien de druk van het ontbrekende water zich over het gehele aquarium verspreidt, blijft het zwaartepunt midden in het water liggen. De beide weegschalen zullen dus precies evenveel uitslaan.Het bijgieten van water, het in de bak plaatsen van een drijvend voorwerp of het in het water drukken van een voorwerp (al dan niet lichter dan water) zijn in dit opzicht overigens equivalente situaties.

Tropische orkanen kunnen alleen bestaan in gebieden waar:

A Het zeewater warmer is dan 27 graden Celsius.

B De passaatwinden harder waaien dan windkracht 6.

C Het temperatuurverschil tussen het aardoppervlak en de hoge atmosfeer meer is dan 70 Kelvin.

De energie voor een orkaan wordt vooral geleverd door opstijgende waterdamp. Bij een zeewatertemperatuur van meer dan 27 graden Celsius kan de wind een hogere snelheid dan 34 meter per seconde bereiken.

Thuis, in Nederland of België, laat je de badkuip leeglopen. In welke richting draait de wervel die boven het afvoerputje ontstaat?

A Onder invloed van de Corioliskracht altijd linksom.

B Onder invloed van de Corioliskracht altijd rechtsom.

C Soms linksom en soms rechtsom.

De aarde draait om haar as van west naar oost. Daarom hebben punten dichtbij de evenaar een hogere snelheid in oostelijke richting dan punten dichtbij de polen. Hierdoor ontstaat de Coriolis-kracht, een kracht die bewegende objecten een afwijking bezorgt. Australiërs gaan er prat op dat bij hun het water met de klok mee het putje in verdwijnt. De Corioliskracht is een heel kleine kracht. De ideale omstandigheden zijn thuis in de badkuip niet te bereiken. Zo brengt alleen al het omhoog trekken van de stop in het bad zoveel storing teweeg, dat de Coriolis-kracht volkomen teniet wordt gedaan

Waaruit haalt een boom zijn massa?

A Uit de bodem.

B Uit de lucht.

C Uit het water.

Bomen en planten groeien, krijgen massa doordat ze CO2 omzetten in bouwstoffen (hout), die voornamelijk uit koolstof bestaan. Die CO2 haalt de boom uit de lucht.

Je wilt graag een zachtgekookt eitje. Moet er iets veranderen aan de kooktijd van het ei als je geen gewoon kraanwater gebruikt, maar zeewater?

A Ja, het ei moet korter koken.

B Ja, het ei moet langer koken.

C Nee, het ei moet even lang koken.

Zeewater kookt bij een hogere temperatuur dan kraanwater. Dit kan je zien als je water kookt en er dan een handje zout in gooit: het water stopt met koken. Als je het doorverwarmt begint het na een vrij korte tijd opnieuw te koken, bij een hogere temperatuur. Het ei is daardoor iets eerder gekookt.

In de poolzee drijft een enorme ijsberg. Onder invloed van het broeikaseffect smelt hij. Wat gebeurt er met het zeewaterpeil?

A Dat stijgt.

B Dat daalt.

C Dat blijft gelijk.

Onder invloed van het broeikaseffect kan landijs versneld te water raken om als ijsberg uiteindelijk ten onder te gaan. Vooral op het moment dat het landijs in zee terecht komt stijgt het zeewaterpeil. Daarna blijft het waterpeil constant doordat het smeltwater het volume van de ijsberg inneemt. Vandaar antwoord c. Overigens kan daarna het waterpeil nog een klein beetje fluctueren, o.a. door het verschil in massa van zout en zoet water.

Poepen bacteriën ook?

a. Sommige wel, anderen niet.

b. Ja, want bacteriën hebben een mondje en een kontje.

c. Ja, ze plassen, poepen en laten zelfs ook windjes.

Bacteriën zijn bijzonder klein en hebben geen mondje of een kontje. Ze hebben alleen een soort huidje met heel kleine gaatjes. Bacteriën hebben om te leven voedsel nodig. Dat voedsel krijgen ze binnen door de gaatjes. Ze halen uit dat voedsel energie, zodat ze zich ook kunnen voortplanten. De bacteriën kunnen niet al het voedsel gebruiken. Wat ze niet kunnen gebruiken komt door die gaatjes in hun huid weer naar buiten. Dat afval is niet vast zoals poep maar het is vloeibaar of gasvormig. Ze poepen dus niet maar je kan wel zeggen dat ze plassen en windjes laten. Het zuur in de karnemelk is eigenlijk bacteriepies. En de stank van je poep of van je zweetvoeten zijn eigenlijk windjes van bacteriën. Antwoord C is dus juist.

Er is zoet water en er is zout water. Zeewater is zout. Hoe komt dat?

a. Op de bodem van de zee liggen heel grote zoutstenen.

b. Mensen en dieren plassen zout water en dat komt uiteindelijk in de zee.

c. Rivieren nemen altijd wat zout mee uit de bergen.

Stenen in de bergen bevatten een klein beetje zout. Als er water over die stenen spoelt, lost een beetje van dat zout in het water op. Het is zo weinig, dat je het niet proeft. Maar dat kleine beetje zout komt via de rivieren in zee terecht. Daar verdampt het water door de warmte van de zon en dat worden wolken en uiteindelijk regen. Het zout verdampt niet en blijft dus in de zee achter. Dat is al miljarden jaren zo gegaan. Steeds bleef er zout in de zee achter. Waardoor de zee steeds zouter werd. Het goede antwoord is dus c.



Voor meer informatie kijk ook naar: water trivia feiten water overzicht FAQ waterwoordenboek

Over Lenntech

Lenntech BV
Distributieweg 3
2645 EG Delfgauw

tel: +31 152 755 703
fax: +31 152 616 289
e-mail: info@lenntech.com


Copyright © 1998-2017 Lenntech B.V. All rights reserved