Lenntech Waterbehandeling en luchtbehandeling Lenntech Waterbehandeling en luchtbehandeling

Lenntech.com Eigenschappen elementen periodiek systeem

Eigenschappen elementen
periodiek systeem

Atoomnummer - Atoommassa - Elektronegativiteit volgens Pauling - Dichtheid - Smeltpunt - Kookpunt - Vanderwaalsstraal -Ionstraal -Isotopen - Elektronenschil - Energie eerste ionisatie - Energie tweede ionisatie - Mol - Moleculair gewicht

Atoomnummer:

Het atoomnummer geeft het aantal protonen in de kern van het atoom aan. Het atoomnummer is een belangrijk begrip uit de chemie en de kwantummechanica. Een element en zijn plaats in het periodiek systeem zijn aan de hand van het atoomnummer vastgesteld. Wanneer het atoom als geheel elektrisch neutraal is, is het atoomnummer gelijk aan het aantal elektronen in de elektronenwolk rond de kern. Juist die elektronen bepalen het chemische gedrag van een atoom. Bij atomen die niet elektrisch neutraal zijn (ionen) is het aantal elektronen ofwel groter dan het atoomnummer (anionen die negatief zijn) ofwel kleiner (bij de positieve kationen). Het aantal neutronen in de kern wordt niet door het atoomnummer bepaald, maar kan soms van atoom tot atoom verschillen. Daarmee kunnen er dus atomen voorkomen met het zelfde atoomnummer maar verschillende massa. Deze atomen van hetzelfde element maar met verschillend gewicht worden isotopen genoemd. Vooral bij de zwaardere atomen, die met een hoger atoomgetal, is het aantal neutronen groter dan het aantal protonen in de kern.

Atoommassa:

Zoals de naam aangeeft is de atoommassa de massa van een atoom, uitgedrukt in atomaire massa-eenheden (u). Elke isotoop van een scheikundig element heeft een andere atoommassa. Het massagetal van een isotoop geeft aan hoeveel deeltjes er zich in de kern bevinden. Het is dus de som van het atoomnummer dat het aantal protonen aangeeft en het aantal neutronen. De atoommassa van een element is een gewogen gemiddelde over de massagetallen van de isotopen.

Elektronegativiteit volgens Pauling:

Electronegativiteit is een maat voor de neiging van een atoom dat een chemische binding aan gaat met een buuratoom om de gezamenlijke elektronenwolk naar zich toe te trekken. De schaal van Pauling is een veel gebruikte methode om de scheikundige elementen naar hun elektronegativiteit te ordenen. De schaal is door chemicus en Nobelprijswinnaar Linus Pauling in 1932 ontwikkeld.
Elektronegativiteit is de mate waarin een atoom de neiging heeft om de bindingselektronen in een chemische binding aan te trekken. De waarden zijn niet op basis van een bepaalde formule berekend, of uit een exacte meting afkomstig, maar meer een handige rangschikking.
Pauling kende aan het meest elektronnegatieve element, fluor, de waarde 4,0 toe, en gaf francium, het minst elektronnegatieve element, waarde 0,7. Ale andere elementen scoren een waarde tussen beide extremen.

Dichtheid:

De dichtheid van een materiaal geeft aan hoeveel massa van dat materiaal aanwezig is in een bepaald volume. Traditioneel duidt men dichtheid aan met de Griekse letter ρ (spreek uit ro). Dichtheid wordt in het SI systeem uitgedrukt in kg/m3, maar de oudere eenheid g/cm3 wordt meer gebruikt. Men tabelleert de dichtheid van een stof meestal bij een bepaalde temperatuur en druk omdat bij verandering daarvan de dichtheid ook verandert.

Smeltpunt:

Het smeltpunt is die temperatuur waarbij een vaste stof in evenwicht is met de vloeibare vorm van deze stof. Meestal wordt daarbij aangenomen dat de druk 1 atmosfeer bedraagt. IJs bijvoorbeeld (H2O) gaat over in water bij 0oC ofwel 273,16K

Kookpunt:

Het kookpunt is die temperatuur waarbij de dampdruk van een stof 1 atmosfeer bedraagt.

Vanderwaalsstraal :

Wanneer twee naburige atomen geen chemische binding ondergaan, trekken zij elkaar toch aan, dit staat bekend als de van der Waals wisselwerking. Deze krachten zorgen voor een aantrekking tussen de twee atomen, die sterker wordt naarmate zij dichter bij elkaar komen. Benaderen zij elkaar te dicht dan treedt er echter een afstotende kracht in werking, ten gevolge van de toenemende overlap tussen de negatief geladen elektronen van de atomen. Als compromis ontstaat er een bepaalde afstand tussen de atomen die de van der Waals afstand genoemd wordt. Door vergelijking van de van der Waals afstanden van veel atoomparen is men tot een systeem gekomen van Van der Waals stralen waarmee men -door optelling - de van der Waals afstand tussen twee atomen kan voorspellen.

Ionstraal:

Helft van de diameter van een ion.

 

Isotopen:

Om onderscheid te kunnen maken tussen atomen die tot hetzelfde chemisch element behoren (en dus per definitie hetzelfde aantal protonen hebben), maar in aantal neutronen van elkaar verschillen spreekt men voor elke unieke combinatie van een ísotoop. De massa van het atoom wordt vrijwel geheel door de som van het aantal nucleonen (protonen plus neutronen) bepaald. Dit aantal wordt weergeven in het massagetal. Verschillende isotopen van het zelfde element hebben dus altijd een verschillende massagetal, men spreekt ook wel van atoommassa.

Van veel elementen komt in de natuur een mengsel van isotopen voor. Het element chloor bijvoorbeeld heeft atoomnummer 17. Alle chlooratomen hebben dus 17 protonen in de kern, maar er zijn twee isotopen. Driekwart van de atomen hebben 18 neutronen, de rest 20 neutronen. Het massagetal is dus ofwel 17+18=35 ofwel 17+20=37. De isotopen worden geschreven als 35Cl en 37Cl. Met deze notatievorm is het niet nodig het aantal protonen en neutronen apart te vermelden, immers het symbool Cl staat in het Periodieke Systeem op de 17e plaats en heeft dus per definitie 17 protonen, daarmee is de rekensom naar aantal neutronen in een isotoop altijd in omgekeerde richting te maken.

Veel isotopen zijn niet stabiel, maar vallen uiteen in een proces van radioactief verval. Zo'n isotoop wordt een radio-isotoop genoemd.

Elektronen Schil:

De elektronenconfiguratie (De elektronenconfiguratie van een atoom of ion geeft aan hoe de elektronen verdeeld zijn in banen rondom de kern van het atoom.) van de elektronen rond de atoomkern beschrijft in welke banen de elektronen zich bevinden rond het atoom. Het woord 'baan' moet hier echter met een korreltje zout genomen worden omdat het elektron zich ook als een golfverschijnsel gedraagt: de baan is meer een staand golfpatroon met buiken en knopen. Voor iedere baan beschrijft een wiskundige formule de waarschijnlijkheid om het elektron ergens aan te treffen. Elke baan heeft een bepaald energieniveau ten opzichte van de kern. In het algemeen geldt:hoe verder van de kern, hoe hoger het energieniveau, maar de elektronen beïnvloeden ook elkaar omdat zij geladen deeltjes zijn. Grofweg worden de binnenste banen het eerst opgevuld maar door de onderlinge afstoting zijn daar uitzonderingen op. De banen kunnen onderverdeeld worden in een aantal schillen en subschillen, die genummerd kunnen worden met hun kwantumgetallen.

Energie eerste ionisatie:

De ionisatiepotentiaal is die potentiaal (lading of energie) die nodig is om een vrij atoom (of molecuul) in vacuüm een elektron te doen verliezen. Het is dus een maat voor hoe vast dit elektron gebonden zit aan het atoom.

Energie tweede ionisatie:

Naaste de eerste ionisatiepotentiaal die aangeeft hoe moeilijk het is een eerste elektron te verwijderen, bestaat er ook een tweede, derde enzovoorts die aangeven hoe moeilijk het is een tweede of derde elektron te verwijderen. We spreken hierbij van de buitenste elektronen.

Mol:

1 Mol bestaat uit 6,0223 x 1023 deeltjes. Een mol koolstof bestaat uit evenveel deeltjes als een mol zuurstof, maar het gewicht van een mol koolstof is anders dan dat van een mol zuurstof. De mol wordt in de chemie gebruikt als de standaardmethode om te vertellen hoeveel stof er aanwezig is.

Moleculair gewicht:

Het moleculaire gewicht van een stof is het gewicht van alle atomaire massa eenheden (u) van alle atomen in een bepaald molecuul. Een atomaire massa eenheid wordt gedefinieerd als 1/12 van het gewicht van de koolstof-12 isotoop. Koolstof-12 heeft een gewicht van precies 12 atomaire massa eenheden. Als een atoom de helft weegt van een C-12 atoom, weegt het 6 atomaire massa eenheden. Om het moleculaire gewicht van een stof te kunnen berekenen, moet je eerst weten wat de afzonderlijke atomen van de verschillende elementen waar het molecuul uit bestaat wegen. Vervolgens vermenigvuldig je het aantal atomaire massa eenheden die van een bepaald atoom in een molecuul voorkomen met de hoeveelheid atomen die in het molecuul voorkomen. Uiteindelijk tel je alle atomaire massa eenheden van alle atomen in een bepaalde molecuulformule bij elkaar op en weet je wat het moleculair gewicht van een bepaald molecuul is. Het moleculaire gewicht kan je gebruiken om uit te rekenen hoeveel gram er zit in één mol van dat molecuul.

Klik hier om terug te keren naar het periodiek systeem der elementen

Over Lenntech

Lenntech BV
Distributieweg 3
2645 EG Delfgauw

tel: +31 152 755 703
fax: +31 152 616 289
e-mail: info@lenntech.com


Copyright © 1998-2018 Lenntech B.V. All rights reserved